De oplossingen

De werking van faunavoorzieningen

Duurzaamheid, populaties en netwerkpopulaties

Elke diersoort stelt eisen aan zijn leefomgeving. Denk hierbij aan de benodigde leefruimte, beschikbaarheid van voedsel en schuilplaatsen. Een habitatplek (leefplek) van een soort kan slechts voor een bepaald aantal aan die eisen voldoen. Dit aantal noemen we: de draagkracht van een leefgebied.

De grootte van een lokale populatie (hoeveelheid dieren die in een bepaald gebied wonen) wordt bepaald door de draagkracht van het gebied, maar ook door factoren zoals ziekte, aanwezigheid van vijanden en toevallige schommelingen in aantal.

Uitsterfkans verkleinen

Voor de duurzame aanwezigheid van een diersoort is ook de uitwisseling van individuen tussen de deelgebieden van belang. De uitsterfkans wordt verkleind wanneer er geen obstakels aanwezig zijn en de gebieden dichtbij elkaar liggen. Als dat niet het geval is, dan kan een deelgebied dat is ‘leeg’ geraakt - bijvoorbeeld door een natuurramp, menselijke ingreep of ziekte - niet of moeilijk opnieuw bevolkt raken.

Deelgebieden die wel met elkaar zijn verbonden vormen samen een netwerk. De totale draagkracht van dat netwerk bepaalt de kans op duurzame instandhouding van de populaties (soorten). Alle populaties in dit netwerk vormen samen de netwerk- of metapopulatie. Een populatie of netwerkpopulatie is duurzaam wanneer de kans op uitsterven erg klein is.

Onderzoek

Onderzoek wijst uit dat populatiegroei en kolonisatie plaatsvindt na het realiseren van een faunavoorziening. Lees meer over onderzoek dat gedaan is naar de werking van faunavoorzieningen op de publicatiepagina.

Monitoring

De aangelegde faunavoorzieningen moeten worden gevolgd op hun functioneren. Verschillende monitoringsonderzoeken laten zien dat ecoducten regelmatig gebruikt worden door onder andere herten, zwijnen, salamanders en kikkers. Faunatunnels worden veelvoudig gebruikt door dassen en otters. Bekijk alle monitoringsrapporten op de publicatiepagina.

Beheer en onderhoud

Uit diverse onderzoeken is gebleken dat de aangelegde faunavoorzieningen functioneren, zolang het beheer en onderhoud van een faunavoorziening op orde is. Om ontoegankelijke voorzieningen te voorkomen moet regelmatig inspectie en onderhoud plaatsvinden.