Vleermuizen

Alle Nederlandse vleermuissoorten voeden zich met insecten, zoals vliegen, motten en muggen. Twee soorten vleermuizen komen vrijwel overal in Nederland voor: de dwergvleermuis en de laatvlieger. De dwergvleermuis is zo klein dat hij met ingevouwen vleugels in een lucifersdoosje past. De laatvlieger is ongeveer twee keer zo groot, met uitgespreide vleugels zo'n 40 cm.

Jagende vleermuizen zijn te vinden op beschutte plaatsen waar veel insecten zijn: bij houtwallen, in parken of op landgoederen, en bij water. De dwergvleermuis en de laatvlieger maken gebruik van schuilplaatsen in huizen en gebouwen. Dat kunnen oude bouwwerken zijn, maar ook nieuwbouwhuizen. Als er maar een beschutte plek te vinden is. De andere soorten vleermuizen verblijven ook in gebouwen of in holle bomen.

Hoewel vleermuizen erg oud kunnen worden (soms tot meer dan 20 jaar), zijn ze als diergroep kwetsbaar. Al tientallen jaren worden de vleermuizen in hun winterverblijven geteld. Toen uit deze tellingen bleek, dat de meeste soorten sterk in aantal achteruit gingen en enkele soorten zelfs uit ons land verdwenen waren, zijn alle (ca. 20) soorten vleermuizen in 1973 bij de wet beschermd. Het is niet toegestaan deze dieren te doden, te vangen, te verstoren of in bezit te hebben.

Meer weten? Uitgebreide informatie over vleermuizen is te vinden op de website van de Zoogdiervereniging, lees meer >>